Fransen hebben een sterk ontwikkeld nationaliteitsgevoel. Maar in feite stammen ze af van verschillende volken uit het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Centraal-Azië en de Scandinavische landen. Het duidelijkst is dat te zien aan de Basken, een volk in Zuidwest-Frankrijk en Noord-Spanje, waarvan de oorsprong onbekend is. De Basken worden niet gerekend tot de bekende Europese volkeren, zoals de Kelten of Germanen. Een theorie luidt dat de Basken de oorspronkelijke bewoners van zuidwest Europa waren. De Basken zijn nog altijd een herkenbaar volk, ze hebben zich niet vermengd met de Fransen. Ook de Germanen en de Kelten evenals de Noormannen hebben hun steentje bijgedragen, net als – meer recentelijk – de immigranten uit voormalige Franse koloniën. De Fransen zijn meer godsdienstig ingesteld dan de Nederlanders. Driekwart van de Franse bevolking is officieel rooms-katholiek, maar net als in veel andere westerse landen gaan er nog maar weinig mensen wekelijks naar de kerk.
Voor het begin van de jaartelling werd Frankrijk bevolkt door Keltische stammen. Na de overwinning van Julius Caesar op Vercingtorix controleerde Rome het lot van Frankrijk bijna 500 jaar. Zij introduceerden een rechtssysteem, legden wegen aan en bouwden stedelijke centra. Toen het Romeinse rijk in verval raakte werd het land geleidelijk veroverd door Clovis, koning van de Franken. Na zijn bekering tot het christendom (498) kreeg hij de steun van de bisschoppen en bevolking in Zuid Gallië. Veel van de Latijnse cultuur bleef bewaard. In 771 werd Karel de Grote (Charlemagne) koning van het Rijk der Franken. Hij wist in vele oorlogen het rijk uit te breiden totdat het grote delen van Europa omvatte. In 800 werd hij door de paus gekroond tot keizer over het westen. Hij hechtte groot belang aan onderwijs, cultuur, en wetenschap. Na de dood van zijn zoon werd het keizerrijk bij het verdrag van Verdun (843) in drieën gesplitst. West Francië (west van Schelde, Maas, Rhone, en Saône), Midden Francië (Nederland, België, Elzas, Lotharingen, West- Zwitserland) en Oost Francië. Geleidelijk evolueerden West- en Oost Francië tot het huidige Frankrijk en Duitsland. In 987 stierf het Karolingse huis uit en werd Hugo Capet tot koning gekozen. Het Capetingse vorstenhuis dat tot 1328 aan de macht bleef, verkreeg een groot deel van zijn gebieden door middel van huwelijken. Om hun bezittingen te behouden stelden de Capetingse koningen het erfrecht en het eerstgeboorterecht in. Dankzij deze wetgeving bleven de kroondomeinen tijdens de volgende generaties onverdeeld. Na het overlijden van Filips IV in 1314 ontstaan grote conflicten met Engeland. In de 100 jarige oorlog die dan volgt zijn de Fransen eerst niet opgewassen tegen de Engelse boogschutters, en uiteindelijk de Engelsen niet tegen de Franse kanonnen. Voor de Franse bevolking is de ellende bijzonder groot. Iedere militaire actie gaat gepaard met plundering, verkrachting, roof, moord en zelfs als er geen gevechten geleverd worden zijn er de eindeloze belastingen om de oorlogen te kunnen bekostigen. Uiteindelijk weet Karel VII in 1453 af te rekenen met de Engelsen. Zij verliezen al hun land op het vasteland behalve Calais. Na de periode van de Honderd jarige oorlog werd Frankrijk door de vorsten van het Huis Bourbon op absolutistische wijze geregeerd. Deze periode wordt aangeduid als Ancien Régime (oud bestuur). In deze periode werden ook weer de nodige oorlogen uitgevochten met Duitsland en Spanje. In de 15de en 16de eeuw begon Frankrijk met het koloniseren van overzees gebied. De Franse koning zond ontdekkingsreizigers naar Noord-Amerika, waar zij de basis legden voor de kolonie Nieuw-Frankrijk. In de Franse samenleving ontstonden grote verschillen die uiteindelijk zouden leiden tot de Franse revolutie op 14 juli 1789. Na de revolutie wordt de macht van adel en geestelijkheid teruggedrongen en in het derde jaar van de revolutie wordt het koningshuis afgeschaft. Er is veel chaos en politieke instabiliteit en het leger wordt steeds vaker ingezet om rellen en contrarevolutionaire activiteiten te onderdrukken. Het leger wordt aangevoerd door de succesvolle generaal Napoleon Bonaparte en zijn populariteit groeit enorm. In 1804 liet de jonge Napoleon zich tot keizer kronen. De periode van het keizerrijk Napoleon (1804 – 1814) wordt gekenmerkt door een grote modernisering op een groot maatschappelijk gebied en een drang naar onderwerping van de wereld. Napoleon heeft Frankrijk in veel verschillende oorlogen betrokken en hij veroverde diverse landen waaronder Italie, Spanje, Duitsland en Polen. Na de periode Napoleon werd de monarchie van de Bourbons in ere hersteld. In 1848, toen uitgehongerde boeren en arbeiders aan het plunderen sloegen in Parijs, werd Louis Philipe gedwongen afstand te doen van de troon en werd de Tweede republiek uitgeroepen. De neef van Napoleon werd verkozen tot eerste president van Frankrijk. Hij nam diverse maatregelen om zijn populariteit te vergroten, en trok daarna alle macht naar zich toe en kroonde zichzelf tot keizer in 1852. Vakbonden werden gelegaliseerd, Parijs werd uitgebouwd tot metropool, kunst en literatuur werden gestimuleerd. Geleidelijk verzwakte het aanzien van de monarchie.Na een nederlaag in de oorlog met Duitsland werd in 1870 de Derde republiek uitgeroepen. Deze sloot vrede met Duitsland en leverde de Elzas en een belangrijk deel van Lotharingen in. In de eerste wereldoorlog steunde Frankrijk zijn bondgenoot Rusland. Eerst verliep de oorlog niet voorspoedig. Maar in 1918 wist Frankrijk de overwinning te behalen en kreeg het Elzas-Lotharingen weer terug. In de jaren 30 van de twintigste eeuw was ook in Frankrijk sprake van crisis. Frankrijk zocht toenadering tot Engeland en verklaarde in 1939 na de inval in Polen, de oorlog aan Duitsland. Het Franse leger bleek niet opgewassen tegen het Duitse. In juni 1940 werd een wapenstilstand gesloten en werd Frankrijk verdeeld in een bezet en een niet bezet deel. Charles De Gaulle vormde vanuit Engeland een verzetsbeweging en werd na de bevrijding in 1944 hoofd van de voorlopige regering.
Aan het begin van de 19de eeuw was Frankrijk het dichtstbevolkte land in Europa. Maar daarna was de bevolkingsgroei bijzonder laag: tot de Tweede Wereldoorlog zelfs de laagste van Europa. Daar kwam verandering in toen de overheid maatregelen nam om het aantal geboorten te stimuleren (o.m. de invoering van kinderbijslag).
Maar ook de vooruitgang in de gezondheidszorg en de uitbreiding van de sociale voorzieningen leidden tot een toename van het aantal inwoners van Frankrijk. Tot begin 20e eeuw was de bevolkingsaanwas maar gering en tussen de twee wereldoorlogen nam het inwoneraantal zelfs af. De bevolkingsgroei na de Tweede Wereldoorlog is voor een deel te verklaren door immigratie uit de ex-koloniën (m.n. Algerijnen, Portugezen, Italianen, Spanjaarden, vluchtelingen uit Frans-Afrika en Marokkanen). Hun aantal maakte in 1990 6,3% van de totale bevolking uit; de meeste allochtonen (85%) wonen in Parijs en omstreken, in de regio Rhône-Alpes en op Corsica. Die immigratiegolf stelt Frankrijk voor problemen: veel allochtonen wonen onder vaak slechte omstandigheden in troosteloze voorsteden (banlieus) en zijn slecht geïntegreerd in de Franse samenleving.